Een brief van Multatuli aan een ‘onbekende’ Straatman

Eduard Douwes Dekker

Zoals bekend was Eduard Douwes Dekker van doperse huize. Zijn ouders, afkomstig van Zaandam en Amsterdam, trouwden op 13 november 1808 bij de gemeente van Jan Jacobsgezinden op het eiland Ameland en dat was bepaald een nieuwigheid voor deze behoudende gemeente. Eerder was er nooit iemand van buiten in deze doopsgezinde vermaning getrouwd, zo merkt de Amelandse leraar Cornelis Pieters Sorgdrager in zijn dagboek op. Later vestigden Engel Douwes en Sijtske Eeltjes van Holm zich in Amsterdam.

Het lag in de bedoeling dat Eduard predikant zou worden, maar dat ging niet door. Zijn broer Pieter Douwes Dekker trad in zijn plaats en Eduard zou van zijn eigen woord leven. Dat laatste viel evenwel niet altijd mee, zoals uit zijn vele brieven blijkt. In een brief van 26 april 1870 uit hij tegenover de niet eerder geïdentificeerde Straatman zijn geldzorgen en vraagt hem om toestemming meer kopij te leveren voor het Nieuwsblad van het Noorden. Het honorarium is bedoeld voor zijn vrouw in Den Haag, zo schrijft hij. Bovendien wil hij zijn drama Vorstenschool aan de uitgever van het dagblad verkopen, waarvoor hij de redacteur Straatman verzoekt om voor hem te bemiddelen. In dat drama uit hij kritiek op koning Willem III en, zoals hij zelf aan Straatman schrijft, op de wijze ‘waarop sommige hooggeplaatste personen hunne roeping begrypen.’ De verkoop aan de uitgever ging niet door, maar het stuk ging later wel in het duffe stadje Utrecht in premiere. In Amsterdam en Den Haag vreesde men voor ernstige rellen.

Multatuli geeft er blijk van de affaires van Straatman te kennen en veroorlooft zich daarom, zoals hij schrijft, ‘de familiairen toon’. Maar wie was deze ‘onbekende’ Straatman en waar gingen die affaires over? Kenners van het modernisme zullen mogelijk denken aan de predikant Jan Willem Straatman uit Groningen. En dat klopt ook. De positie van Jan Willem Straatman (1825-1882) was als gevolg van zijn radicale standpunten onhoudbaar geworden. Samen met zijn collega Cornelis Corver kwam hij in 1867 met het voorstel om avondmaal, doop en de viering van de christelijke feestdagen af te schaffen. De leden van de doopsgezinde gemeente van Groningen kregen één dag bedenktijd. Bij een negatieve reactie van de gemeenteleden op desbetreffend voorstel zouden de beide predikanten vertrekken. Dit laatste gebeurde ook. Na enige tijd verscheen de tweemaal herdrukte afscheidspreek van Straatman. De preek en gekozen tekst getuigden niet van gebrek aan ironie: Broeders, ik bid u, gij hebt mij geen onregt gedaan. Jan Willem Straatman werd journalist en redacteur. In die laatste functie onderhield hij het contact met Multatuli. Jan Willem Straatman kreeg vanwege zijn radicalisme weinig bijval van de moderne theologen en keerde zich uiteindelijk geheel van het christendom af. Een fragment van de brief van Multatuli aan Straatman kunt u hier lezen of beluisteren. Het origineel ligt in het Letterkundig Museum (sign.nr. D 02821 B 1) terwijl de Amsterdamse UB een afschrift bezit (sign.nr. UB: HSS-mag.: XLV 766). Tot nu toe was de geadresseerde (Straatman) onbekend (vlg Picarta), maar die omissie is hierbij rechtgezet. JdJ

comments are closed

De sculptuur van Menno Simons (in koper) werd in 1987 door Esther K. Augsburger ontworpen.