Alkmaar, 11 november 1989
Hans de Ries & Jan Philipsz Schabaelje
Verslag van de eenendertigste ledenbijeenkomst

Door tragische omstandigheden kon de voorjaarsbijeenkomst van 1989, die in Utrecht voorzien was, niet doorgaan.

Precies 80 deelnemers werden gastvrij ontvangen in de Hans de Rieszaal en de kerk aan de Koningsweg nr. 12 van de kaasstad.
In de korte huishoudelijke vergadering besprak voorzitter Carl Brüsewitz het financiële overzicht van het afgelopen jaar.

De vergadering te Alkmaar stond in het teken van twee prominente zeventiende-eeuwse Alkmaarders.

Met een contemplatieve verwijzing naar de actualiteit van de neervallende Berlijnse muren, de stralen van hoop uit de schaduw van onderdrukking en de mild schijnende zon boven deze stad waar eens de Victorie begon, werd de aandacht gevraagd voor een geestelijk bewoner van Vredestad.
Hiermee werd Jan Philipsz Schabaelje aangeduid, die vanaf 1624 de Waterlanders van Hans de Ries bijna een kwarteeuw zou dienen. Piet Visser, conservator van de kerkelijke collecties van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, waartoe ook de Doopsgezinde Bibliotheek behoort, was een jaar eerder op deze intrigerende grutmolenaar/leraar/dichter gepromoveerd. Hij schetste het leven van deze ietwat zonderlinge herder van de gemeente van Hans de Ries. Met zijn in de grutmalerij vergaard kapitaal kon Schabaelje het zich veroorloven 'stil te leven, vele liederen en stichtelijke werken te schrijven. Het bekendste daarvan zou de Lusthof des Gemoets (1635) worden, dat in populariteit zelfs met Vader Cats' kon wedijveren.

Daarna verzorgde Thomas Roep, grondig kenner van mennist Alkmaar, een diaprogramma dat vele hoogtepunten uit het doperse verleden belichtte.
's Middags kon een en ander met eigen ogen worden aanschouwd. Roep had twee wandelroutes uitgezet die langs verschillende monumentale maar ook minieme restanten van menniste memorie voerden. Onderweg waren we te gast bij Ineke Plenckers in het Gemeentearchief, die een kleine uitstalling van werken van Schabaelje had ingericht.

In de Grote Kerk eindigde de tocht. Op de tegels van de nauwelijks vindbare graven van Schabaelje en De Ries werd de zeventiende-eeuwse sereniteit stijlvol getoonzet door het koor van Machteld de Wit en het orgelspel van Hugo van Veen, die liederen uit De Ries' Liedtboeck ten gehore brachten.

De huidige herder, Harmen Ament, wekte in een wijdingswoord een ieder op om in zijn dagelijks leven eveneens Schabaeljes geestelijke ideaal van Vredestad na te streven.

Na dit aangenaam vermaan mocht men - ook van thee - voldaan weer huiswaarts gaan.

P.V.

[in: Doopsgezinde Bijdragen nieuwe reeks nummer 16 (1990) p. 244]