Elspeet, 2 november 1991
Verslag van de vijfendertigste ledenbijeenkomst 

De jaarlijkse herfstbijeenkomst - dit maal in het doopsgezind broederschapshuis
te Elspeet - stond in het teken van het historische interview, zoals dat door velen
in onze Kring beoefend wordt om gebeurtenissen uit het jongste verleden 'naar
boven' te krijgen. Het interview maakt deel uit van de 'oral history', mondelinge
geschiedenis, waarbij de historicus gebruik maakt van persoonlijke herinneringen.

In de ochtendlezing ging dr. J. Talsma, universitair hoofddocent van de Vakgroep
Nieuwe en Theoretische Geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam, in op de 'Mogelijkheden en onmogelijkheden van historische interviews voor de
contemporaine geschiedschrijving'. In een boeiend betoog, geIllustreerd met geluidsband, benadrukte de spreker de betekenis van deze vorm van geschiedschrijving, nu de traditionele geschreven bronnen, zoals brieven, dagboeken, aantekeningen enz., vaak ontbreken en vervangen zijn door bijv. telefoons. Terwijl bij de eerste geschiedschrijvers, zoals de Griek Herodotus, het interview als bron voor geschiedschrijving juist voorop stond, werden zijn beoefenaren in het defensief gedrongen naarmate de geschiedschrijving zich als wetenschap alleen richtte op de gemakkelijker te systematiseren schriftelijke en gedrukte bronnen. Herinneringen werden als niet betrouwbaar ervaren en bovendien was de verantwoording vaak slecht. Hierbij werd voorbijgegaan aan het feit dat dezelfde kritische vragen vaak niet werden gesteld aan het gedrukte  materiaal (krantenberichten!, 'liegen, of het gedrukt staat!')

Wil men gebruik maken van het interview, dan moet men zich vier kritische vragen
stellen ten aanzien van:
— de waarneming van de geïnterviewde (goed/niet goed)
— het geheugen van de geïnterviewde (een vaak verteld verhaal is vaak 'bewerkt'; de vroegste herinnering is vaak het best)
— de aard van het te herinneren gegeven (voor feiten is het geheugen een slechte
bron)
— de rol van de interviewer zelf (open vragen; niet sturen)

Overigens is het aan te bevelen eerst schriftelijke bronnen te bestuderen, alvorens aan een gesprek te beginnen.
Dr. Talsma onderscheidde twee richtingen in de Europese 'oral history'. Een groep wil een levendig verhaal maken voor een breed publiek, dat wellicht wat minder
waarheidsgetrouw is ('anders kom je nooit klaar'). De andere groep verdiept zich zo in de materie, dat ze meer geheugendeskundige en psycholoog is geworden.

Een levendige discussie sloot de ochtendlezing af.

Na de lunch sprak het DHK-lid Thomas Roep over 'Ervaringen met het historische interview ten behoeve van de geschiedenis van de houding van de doopsgezinde gemeente Alkmaar in WO II'. Centraal in zijn onderzoek stond de levensweg van ds. Frits Kuiper die al in 1933 in de groep 'Hans de Ries' waarschuwde voor de ware aard van het nationaal-socialisme. Het onderzoek was het gevolg van een vraag uit de VS over de houding van de doopsgezinden in WO II. De heer Roep had de notulen van de kerkeraad, literatuur enz. uit deze periode bestudeerd en twintig mensen geinterviewd.
Zijn betoog, ondersteund met dia's, was zeer verhelderend voor de problemen die men tegen kan komen, maar illustreerde vooral op motiverende wijze het pad van de contemporaine historicus-interviewer: vol valkuilen en klemmen, maar met grote voldoening aan het eind.

B. Rademaker-Helfferich

[in: Doopsgezinde Bijdragen nieuwe reeks nummer 18 (1992) p. 173-174]