De Rijp 4 juli 1992
Verslag van de zesendertigste ledenbijeenkomstĀ 

De bijeenkomst, waarbij 95 personen aanwezig waren, vond plaats in de fraaie grote
kerk der Ned. Hervormde Gemeente, gelegen aan het Jan Boonplein in De Rijp.

De dag stond in het teken van de belangrijke rol van de Rijper mennisten in de
economie, de cultuur en de politiek van het zeer welvarende haringvissersdorp op
het Schermereiland tijdens de Gouden Eeuw. Met name het laatste aspect, doopsgezinden op het regeringskussen, maakt de Rijper historie tot een heel bijzonder
thema.
Op de hem bekende wijze gaf dr. Piet Visser aan hoe de doopsgezinden aan het eind van de zestiende en in de eerste helft van de zeventiende eeuw in belangrijke mate bijdroegen aan de economische welvaart van De Rijp. Vele doopsgezinden bemanden de talloze molens om en nabij het dorp, anderen verdienden de kost in de haringvisserij. In de eerste decennia na de 'afscheiding' van het moederdorp Graft, in 1607, zouden de doopsgezinden de meerderheid hebben in de Vroedschap. Het schepen-ambt vervulden zij niet. In dat college werd onder meer recht gesproken en dat strookte niet met hun opvattingen. De vroedschap en de schepenen werden daardoor gevormd door mennisten en calvinisten. Het college van schout en schepenen en de vroedschap zouden regelmatig tegenover elkaar komen te staan. Deze kregen over tal van zaken conflicten, waarover zij bij de Staten van Holland in Den Haag processen voerden.

Het doperse aandeel in het Rijper openbare leven strekte zich beduidend verder
uit dan alleen de politiek. Het technisch vernuft van br. Jan Adriaanszoon Leeghwater is algemeen bekend. Grote bekendheid genoot de medische kundigheid van voorganger Jan Willemsz. en ook in cultureel opzicht speelden de dopers de eerste viool. Zo bezat De Rijp een rederijkerskamer. Hendrik Albertszoon Hoejewilt, bijgenaamd 'de Rijper poeet' publiceerde diverse dichtbundeltjes, alsmede kluchten die in handschrift bewaard zijn gebleven.
Tijdens de bijeenkomst werd een korte opvoering gegeven van een door hem geschreven carnavalsspel uit 1633 door twee leden van het toneelgezelschap 'Benedictus'. Claes Jacobsz. zette vanaf 1624 een boekhandel/uitgeverij op en gaf zo'n 40 titels uit, waarvan het Rijper Liedt-boexken het meest bekend is.

De grote brand van 1654, die als een 'toorn Gods' werd beschouwd, betekende het einde van de doopsgezinde dominantie in het dorp.

`s Middags werd in twee groepen het Rijper museum bezocht voor de tijdelijke tentoonstelling: 'Dat Rijp is moet eens door eijgen Rijpheidt vallen'. De expositie omvat een interessante verzameling gebruiksvoorwerpen, kerkelijke documenten, schilderijen en gravures uit de periode, waarin de doopsgezinden in De Rijp een vooraanstaande plaats innamen.

Daarna werd de voormalige Vermaning in Graft/Noordeinde bezocht, waar tevens een expositie van moderne schilderkunst te bezichtigen was. Na het drinken van de thee op het terras bij 'het Wapen van Munster' ging een ieder zijns weegs.

[in: Doopsgezinde Bijdragen nieuwe reeks nummer 19 (1993) pp. 262-263]