Heerenveen 16 mei 1998
Verslag van de vierenveertigste bijeenkomst
Stillen in den lande?

Tijdens deze voorjaarsbijeenkomst van de DHK stonden de Friese doopsgezinden
tijdens de Tweede Wereldoorlog centraal, onder het motto 'Stillen in den lande?'

In de traditioneel wat achteraf gelegen, maar fraaie, pas gerestaureerde Vermaning aan de Vermaningsteeg werden 59 leden en introducé (e)s, onder wie deze keer slechts zes Friezen (waar waren onze andere trouwe Friese leden?) welkom geheten door de voorzitter van de Doopsgezinde Gemeente Heerenveen, na het genot van koffie met koek en 'dumkes'.

Op het ochtendprogramma stonden twee voordrachten. Als eerste ging Dr. Johan
Frieswijk, wetenschappelijk medewerker van de Fryske Akademy te Leeuwarden en deskundige op het gebied van de sociale geschiedenis van het negentiende- en twintigste-eeuwse Friesland, in op de rol van de confessionele groeperingen in het algemeen en die van de doopsgezinden in het bijzonder tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Een eventueel pro- of anti-Duitse houding (en een daaruit voortvloeiende deelname aan het verzet) werd in Friesland sterk beïnvloed door de Fries-nationale houding. De Friese beweging was een vergaarbak van vele richtingen. Ter sprake kwamen: geloof en Friese cultuur, socialisme en Friese cultuur en Friese cultuur in combinatie met 'bodem' en historie, waar de NSB haar aantrekkingskracht uitoefende. De confessionele, c.q. ideële achtergrond van gereformeerden en SDAP-ers bepaalde in eerste instantie hun Fries-nationale houding, wat bij de NSB niet het geval was. Bij haar sympathisanten speelde de diepe armoede van de vooroorlogse crisisjaren op de veen- en zandgronden een grote rol.
Voor de Friese doopsgezinden is hun godsdienstige overtuiging in relatie tot de NSB nog niet diepgaand onderzocht, laat staan gequantificeerd. In het algemeen constateerde Frieswijk dat er zeker een voedingsbodem was voor pro-Duitse gevoelens, maar dat er in de praktijk weinig van was te merken. Het Duitse machtsvertoon deed geen recht aan het Friese nationalisme en leidde bij eventuele sympathisanten al gauw tot frustratie.

Als tweede sprak Ds. Ype Schaaf, oud-hoofdredacteur van het Fries Dagblad en publicist, over de rol van met name Leeuwarder doopsgezinden tijdens het verzet.
Daarbij ging hij diep in op de verzuilde wereld van voor de Tweede Wereldoorlog: binnen de eigen kring lagen je contacten, dus daar dook je onder. In het verzet ontstonden echter ook de eerste contacten die later de verzuiling zouden ondermijnen. Veel van wat Ds. Schaaf aandroeg, kan worden nageslagen in zijn boek Laarzen op de Lange Pijp. Leeuwarden in de Tweede Wereldoorlog (Franeker, 1994).

Verkwikt door de lunch konden de leden 's middags luisteren naar de voordracht
van Ds. N. Treffers-Mesdag, die als kind in de doopsgezinde pastorie van Sneek, centrum van onderduikactiviteiten, het indrukwekkende verzetswerk van haar ouders meemaakte.

De voordrachten van Johan Frieswijk en van mevrouw Mesdag-Treffers staan in DB nieuwe reeks nummer 24 (1998).

De middag werd afgesloten met een gedachtewisseling tussen de sprekers, ingeleid en voorgezeten door prof.dr. S. Voolstra, waarna er gelegenheid was tot het stellen van vragen en het vertellen van eigen ervaringen.
De middagvoorzitter sloot precies op tijd het middagprogramma af, waardoor enkele vragenstellers helaas niet meer aan bod kwamen. De voorzitter van de DHK, P.H.A. Tillema, sloot de bijeenkomst af, onder dank aan allen die de dag tot een succes hadden gemaakt. Hij sprak als zijn mening uit dat het onderwerp en de uitdieping ervan toch een vervolg zouden moeten krijgen. De DHK wil zich erop
bezinnen in welke vorm dit zou moeten of kunnen.

Na een kop thee en een 'dumke' in de zon, voor de 'fermanje', ging ieder weer zijns/haars weegs.

Bonny Rademaker-Helfferich

[in: Doopsgezinde Bijdragen nieuwe reeks nummer 24 (1998) pp. 333-334]