Zwolle, 16 november 2002
Verslag van de najaarsledenbijeenkomst

De Doopsgezinde Historische Kring hield haar najaarsvergadering in Zwolle. Ook dit keer in de fraaie vermaning te Zwolle, gelegen in de Wolweverstraat, vlakbij de synagoge en de Waalse kerk: een hoek van ooit 'getolereerden' bij elkaar. De vermaning was voor menigeen van de ruim 70 deelnemers vast een verrassing: zo'n mooie, eenvoudig classicistische gevel met daarachter een kostelijk licht interieur, authentiek met orgel, lezenaar, kerkenraadsbanken etc.
De hartelijke ontvangst door kerkenraad en vrijwilligers van de Zwolse Doopsgezinde
Gemeente werd onderstreept door mooie boeketjes op de tafel, een vlot lopende koffietafel en lunch.
Naast het programma van zo'n dag is kennismaking met de gemeente ter plekke altijd weer een bijzonder facet van de DHK-dagen. We moeten dan ook de gemeenten die ons kosteloos hun kerkruimten ter beschikking stellen en vrijwilligers die hun tijd geven heel erkentelijk zijn. Het is goed dat dit ook eens in het verenigingsnieuws van de DHK in de Doopsgezinde Bijdragen tot uiting komt.
In haar welkomstwoord vertelde de voorzitster van de kerkenraad, zuster Amy Belger-Overdiep, iets uit de historie van de Zwolse mennisten. Het gemeenteblad heet Het mennisten brugje, naar het brugje dat doopsgezinde dienstweigeraars vroeger bedienden. De dichtbij gelegen oude melkfabriek is inmiddels omgebouwd tot 'mennistenflat' en het vroeger daarheen lopende straatje heet nu de Mennistenstraat. Een eerbetoon aan de mennisten die vanouds een aparte plaats in het Zwolse leven innamen.

Het thema van de dag was de groepering van de Oude Vlamingen, in de loop van de zeventiende eeuw te onderscheiden naar Danziger Oude Vlamingen en Groninger Oude Vlamingen. Dit werd ingegeven door de wens in het najaar van 2003 een excursie te organiseren naar de Oost-Friese gemeenten van de Groninger Oude Vlamingen.
Al vroeg is er sprake van dopers in Zwolle. In 1535 wordt hier - tijdens de vervolgingen van de wederdopers - Cornelis de Vlaminck, diaken van de doperse gemeente te Amsterdam, geëxecuteerd. Pas in 1574 wordt de Zwolse mennistengemeente voor het eerst genoemd. Haar vertegenwoordigers waren in 1649 bijeen op de zogenaamde 'Synode der mennisten', waar de oudsten van Vlaamse gemeenten bijeen kwamen om tot meer eenheid te komen op basis van een vaste geloofsbelijdenis. Oorspronkelijk waren deze Vlamingen zestiende-eeuwse doopsgezinde vluchtelingen uit Brabant en Vlaanderen die zich in de Noordelijke Nederlanden en aangrenzend Oost-Friesland hadden gevestigd.
Zonder slag of stoot ging dat niet. De strijd met de allochtone dopers speelde zich vooral in Harlingen en Franeker af en ging met name over de strengheid in het handhaven van de tucht. De gevolgen bleven echter niet tot Friesland beperkt en scheuring na scheuring volgde.
Na een korte inleiding op het thema door voorzitter drs. Bonny Rademaker-Helfferich, hield professor dr. Sjouke Voolstra de lezing 'Leer en leven bij de Oude Vlamingen in de eerste helft van de achttiende eeuw', die in licht gewijzigde vorm in DB nieuwe reeks nummer 29 (2003) is opgenomen. De Oude Vlamingen waren behoudende mennisten, die altijd klein in aantal zijn gebleven en die het langst de oude doopsgezinde zeden en gebruiken hebben vastgehouden.

Sjouke Voolstra koos voor zijn uiteenzetting voor een beschrijving van het achttiende-eeuwse doperse huwelijksnetwerk aan de hand van de 50-jarige huwelijksviering van Hendrik Veen en Trijntje ten Cate in 1838. Hij volgde daarbij het spoor terug van de voorouders van bruid en bruidegom. De voorouders van de bruidegom behoorden tot de Danziger Oude Vlamingen die kerkten in de kop van Overijssel. Deze groep hanteerde zeer streng het verbod op buitentrouw, met als gevolg onder meer huwelijken tussen (achter-) nicht en (achter-) neef. De conclusie van professor Voolstra: de geschiedenis van de doopsgezinden, ook die van vandaag, kan alleen begrepen en beschreven worden als het geloof van de Oude Vlamingen als ijkpunt van de doopsgezinde identiteit genomen wordt.

Vervolgens nam drs. Otto Knottnerus zijn gehoor mee naar Oost-Friesland, in zijn inleiding 'Doopsgezinden in Oost-Friesland (1529-1800): een verkenning'. Knottnerus, historisch socioloog en kenner van de Oost-Friese en Noord-Westduitse geschiedenis, vertelde over de belangrijke rol die de doopsgezinden in Oost-Friesland altijd hebben gespeeld. Vanuit  sociologisch standpunt liet hij zien hoe Oost-Friesland vanaf de late middeleeuwen de voedingsbodem kon zijn voor de 'doperse dwaling', zoals dat toentertijd werd beschouwd. Het was de min of meer ontoegankelijke streek waar de plaatselijke elite steeds meer invloed kreeg, ver van het centrale gezag van de keizer. Hoofdelingen en herenboeren kregen steeds meer invloed op het landsbestuur en hadden vaak sympathie voor het doperse gedachtegoed. Het was de streek waar Melchior Hoffman en Obbe Philips de voedingsbodem vonden voor hun - voor die tijd - afwijkende leer en waar de mogelijkheden voor de verwezenlijking van het Godsrijk (in Munster) groot leken. Maar ook de streek waar ook de dopers na de gruwelijke ondergang van het 'Koninkrijk Gods' hun afgelegen schuilplaatsen zochten om het kwade tij te overleven.

Tijdens het huishoudelijke deel van deze najaarsvergadering konden onder dank voor het vele tevoren verzette werk door de animator, oud-voorzitter drs. Piet Tillema, en door vele betrokken leden - voor hun suggesties voor wijzigingen van de tekst - de nieuwe statuten bij acclamatie worden aanvaard.
Bovendien kon de voorzitter na oppervlakkige sondering van de zaal - handopsteken van
voorstanders - constateren dat een bezoek aan Oost-Friesland gunstig onthaald zou worden en zo werd een reisje naar Oost-Friesland in het najaar van 2003 aangekondigd; deo volenle.

Na het zingen van lied 405, het lied van Menno Simons, Mijn God, waar zal ik henengaan, begeleid door een van de Zwolse organisten op het mooie orgel, konden de deelnemers, verkwikt door heerlijke Zwolse thee met cake, de terugweg naar huis aanvaarden in de wetenschap dat we elkaar op 29 maart 2003 weer zouden treffen in de Utrechtse vermaning.

Bonny Rademaker-Helfferich

[in: Doopsgezinde Bijdragen nieuwer reeks nummer29 (2003) pp. 296-298]