DB 40 ter ere van Piet Visser

maandag 16 juni 2014 DB 40 ter ere van Piet Visser

Aan het slot van het symposium ter gelegenheid van het afscheid van Piet Visser, na diens oratie, werd, als blijk van de grote waardering voor de persoon en wetenschapper, aan Visser het kersverse 40ste nummer van de ‘Doopsgezinde Bijdragen nieuwe reeks - behorend bij het jaar 2014 - uitgereikt dat aan hém was opgedragen. Hier kan het boek worden besteld bij uitgeverij Verloren.

Inhoud DB 40 (2014)
Korte vooruitblikken uit het redactioneel van nummer. 40 (2014) op de inhoud van de artikelen.
JELLE BOSMA & ANNA VOOLSTRA - Redactioneel - pp. 7 t/m 19
Met om te beginnen de slotparagraaf uit dat redactioneel:
“We besluiten dit bijzondere nummer van de Bijdragen niet met de gebruikelijke recensies, signalementen en verenigingsnieuws, omdat er immers een paar maanden geleden al een regulier  nummer verschenen is. Als toegift bieden we u echter een voorlopige bibliografie van alle publicaties van Piet Visser tot op heden - zoals u kunt zien een zeer uitgebreide en diverse lijst. We gaan er vanuit dat deze lijst in de komende jaren nog substantieel zal toenemen”.
VOORLOPIGE BIBLIOGRAFIE VAN PROFESSOR DR. PIET VISSER - pp. 365 t/m 380

Dan eerst, ter algemene inleiding:
“Piets brede interesse komt tot uitdrukking in de artikelen die hierna aan de orde komen. Piet Visser is een wetenschapsman (…) met een zeer brede oriëntatie en deskundigheid, die loopt van kunsttheorie, via liedkunst naar lokale geschiedenis, theologie, sociale netwerken, boekgeschiedenis, Radicale Verlichting, geleerdengeschiedenis, lokale netwerken, dienstweigeren, ja wat al niet.
Dit alles dan ook nog eens in zes eeuwen, dus van de zestiende tot de eenentwintigste eeuw!
Waar Henry Ford zei: 'de T-Ford is in elke kleur leverbaar, zolang het maar zwart is', zou je over Piet kunnen zeggen dat in feite elk onderwerp ertoe doet ... zolang het maar doopsgezind is. In de teksten die hier volgen zult u zien waar we op doelen. Ze handelen over zeer uiteenlopende onderwerpen: van de vroegste periode van het doperdom, via de zeventiende eeuw,  boekgeschiedenis, liedkunst, literaire theorie, naar de Radicale Verlichting, de provincies Groningen en Friesland, Haarlem en Zaandam tot opnieuw liedkunst, dienstweigeren en tot slot de cursus doperse theologie.”
 “De top drie van meest producerende hoofdredacteuren van de Bijdragen is (…) gelijk aan die van de langst zittende:  Samuel Cramer op een verdiende derde plaats met 45 bijdragen, Jacob Gijsbert de Hoop Scheffer op een eervolle tweede plaats met maar liefst 50 bijdragen en onmiskenbaar bovenaan Piet Visser met het onvoorstelbare aantal van 76 bijdragen (exclusief signalementen ... ).  Los van de immense hoeveelheid bijdragen, maakt bovenal de kwaliteit ervan indruk.  Gary Waite gaat hier in zijn openingsartikel [ook] uitvoerig op in.”

En voorts de vooruitblikken per artikel:
“Mocht u de veelkleurigheid en veelvoud van Vissers wetenschappelijke werk en de betekenis daarvan nog eens de revue willen laten passeren, dan kunt u (…) terecht bij [dit] uitvoerige openingsartikel van Gary Waite. Deze collega en goede vriend van Piet Visser laat zien dat Piet al in zijn bekroonde proefschrift verschillende disciplines combineerde en een brede schets bood van niet alleen het literaire leven in de vroege zeventiende eeuw, maar ook van de welhaast chaotische verscheidenheid aan religieuze groepen in die periode. Piet heeft later deze deskundigheid uitgebreid tot latere tijden, maar ook bijvoorbeeld de boekwetenschappelijke kant verder doorontwikkeld en uitgestrekt tot in de verlichtingstijd.”
GARY K. WAITE - 'Proeuet alle dinck, ende dat goede behoud.' : Het wetenschappelijke werk van Professor Dr. Piet Visser - pp. 21 t/m 45

Laas Terpstra neemt ons (…) mee naar de vroegste jaren van het doperdom; de opmaat naar Munster en de ongeregeldheden in Amsterdam. We zien in dit artikel dat men in die tijd - de vroege zestiende eeuw – ondergronds diende te gaan als doper, dat de overheid hardhandig ingreep bij gewelddadigheden met een religieuze ondertoon, en dat er een sterk apocalyptische sfeer hing. Zaken als geweldloosheid waren nog alles behalve uitgekristalliseerd en werden druk bediscussieerd. De stad Amsterdam speelt ook op micro niveau een belangrijke rol in dit verhaal en het is verbazingwekkend om te lezen hoe men reeds in deze vroege perioden netwerken onderhield; niet zelden tot buiten de landsgrenzen.”
LAAS TERPSTRA - Jacob van Campen : Dopers leidsman in moeilijke tijden - pp. 47 t/m 64

“Een drietal artikelen handelt over de vroege zeventiende eeuw, toen het voor dopers inmiddels een stuk minder gevaarlijk was om zich kenbaar te maken en men niet langer strikt ondergronds diende te blijven. “

Rudi Cordes geeft aan hoe een rederijker, in dit geval Jan Zoet, de overheid eerde door een toneelspel te schrijven na een belangrijke militaire overwinning. Het mag opmerkelijk heten dat juist iemand met een doperse achtergrond, niet alleen de overheid prees, maar ook nog eens een militair succes vierde! Verder vinden we hier de toenmaals zeer befaamde bucolische stijl, waarin het platteland aan stedelingen ten voorbeeld wordt gesteld; zoiets als de eerlijke boer tegenover de slappe stadsbewoner met zijn hippe spullen en zijn grote mond. Zoet zou zich overigens later aan deze literaire trend ontworstelen, zoals het artikel duidelijk maakt. “
RUDI CORDES - Kritische boeren in Hollands Arcadia : Literaire ontwikkelingen in het vroege werk van de notoire dwarsligger Jan Zoet - pp. 65 t/m 80

Alfred van Wijk gaat in een  volgend artikel na hoe men rond deze tijd worstelde met de eenheid in doperse kring en er probeerde iets aan te doen, bijvoorbeeld door middel van belijdenissen. De bekende Jan Philipsz Schabaelje komt in dit licht voorbij evenals Joost Henricksz, voorganger van de Vereenigde gemeente te Amsterdam, en enkel anderen. Men krijgt uit Van Wijk's artikel de indruk dat de Waterlanders rond deze tijd nog steeds gewantrouwd werden door andere doperse groepen; onder meer om leerstellige redenen, zoals de tekst duidelijk maakt, al was er misschien onderhuids nog wel meer aan de hand ... “
ALFRED R. VAN WIJK - Een mislukte poging tot vereniging : Christologische meningsverschillen onder doopsgezinden in het jaar 1640 - pp. 81 t/m 112

Alex Noord laat vervolgens zien hoe men rond dezelfde tijd in verschillende liedboeken schreef (of eigenlijk daaruit zong) over de overheid. Doopsgezinden waren - zo blijkt - zeer gezagsgetrouw en vreesden de overheid niet langer, zoals een eeuw eerder het geval was geweest, maar prezen haar juist om de rust en orde die zij bracht en bovenal om de ruimte die de overheid liet aan de vele religieuze randgroepen. Alex Noord illustreert dit aan de hand van liedteksten van de bekende Pieter Jansz Twisck en Lenaert Clock.”
ALEX NOORD - 'Heer, houdt 's landts Overheydt in eer' : Overheid als thema in de doopsgezinde liedcultuur van de eerste helft van de zeventiende eeuw - pp. 113 t/m 133

Ruud Lambour, die onder meer over Galenus Abrahamsz de Haan publiceerde in dit tijdschrift, gaat in zijn artikel in op het boekenbezit van Amsterdamse doopsgezinden in de zeventiende eeuw; een meer boekhistorisch onderwerp dus, speciaal voor Piet. Jarenlange vertrouwdheid met de Amsterdamse archieven, onder andere die betreffende boedels, heeft van deze auteur een specialist gemaakt in doperse materiële cultuur en ditmaal richt hij zich specifiek op de boeken die in notariële verslagen (boedels) worden beschreven. Een fraai beeld rijst op van wat men aan lectuur en  literatuur - zo die twee te onderscheiden zijn - in huis had, waarbij opvalt dat bepaalde auteurs zoals verwacht heel populair bleken te zijn, maar sommige ook goeddeels ontbreken; wat dan weer een nieuw inzicht oplevert.”
RUUD LAMBOUR - Het boekenbezit van Amsterdamse doopsgezinden uit de Gouden Eeuw -  pp. 135 t/m 160

Mirjam van Veen, een goede collega van Piet aan de VU, gaat in haar artikel in op de tekstgeleerde en taalwetenschapper Johann Jakob Wettstein, die handschriften van de humanist/theoloog Sebastian Castellio bezat, ze uitgaf en van aantekeningen voorzag. Zij doet dit in het kader van de ontwikkelingen aan het eind van de zeventiende eeuw die grofweg de Radicale Verlichting genoemd worden: nieuwe inzichten, soms heel vergaand, die als het ware de veel bredere verschuiving in denken (of mentaliteit) voorbereiden die plaatsvond in de achttiende eeuw. Wettstein, die openstond voor Castellio's kritische inzichten, lijkt al met al behoudender en minder radicaal geweest te zijn dan soms gedacht is; hij valt dus slechts zeer ten dele in te lijven als exponent van de Radicale Verlichting.”
MIRJAM VAN VEEN - Johan Jakob Wettstein (1693-1754) en de continuïteit tussen Radicale Reformatie en Verlichting - pp. 161 t/m 171

Willem Stuve geeft in zijn artikel een schets van de Groninger vermaner Eppo Botterman, die eveneens rond 1700 leefde en studeerde bij de eerdergenoemde Galenus Abrahamsz de Haan in Amsterdam, de bekende voorman van de lammisten die nauwe contacten onderhield met de collegianten. Opnieuw zijn we beland in de sfeer en het milieu van de Radicale Verlichting, maar Stuve moet evenals Van Veen in zijn artikel constateren dat Botterman's radicalisme wel meeviel. Hij was eerder een behoudende en ook tamelijk welvarende vermaner en bekend voorman van de zogeheten Friesche Sociëteit. Uiteraard komt in dit artikel ook de twist tussen Botterman en zijn collega Rijsdijk aan de orde, een handgemeen, rechtzaak, een dansje met een huisvrouw ... wat al niet.”
WILLEM STUVE - Groningse Galenist : Een biografie van Eppo Botterman (1678-1756) - pp. 173 t/m 186

“Ook Marcel Kremer's artikel handelt over Groningen, en vormt in feite een pendant van dat van Ruud Lambour; het handelt namelijk over het boekbezit van doopsgezinden in de stad Groningen in de achttiende eeuw. Ook deze auteur heeft gewerkt met boedelbeschrijvingen in notariële archieven. Hij schetst met behulp van dit materiaal een beeld van het toenmalig boekbezit. Aardig is om te zien dat het niet alleen vermaners waren die een rijke boekenkast bezaten, maar dat er ook mensen waren met een heel andere achtergrond, zoals een bierbrouwer - die mogelijk dus heel belezen was - een lakenkoopman en enkele fabrikanten.”
MARCEL R. KREMER - Het boekenbezit van stad-Groninger doopsgezinden in de achttiende eeuw - pp. 187 t/m 195

Yme Kuiper richt de blik niet op Groningen maar op Friesland, we blijven dus in het noorden van het land, en hij wijdt uit over het buitenleven van welgestelde doopsgezinden in die provincie. Anders dan rondom Amsterdam, waar al in de zeventiende eeuw hele 'mennistenhemels' waren verrezen, trok de Friese doopsgezinde elite er in de zomer opuit om in een 'state', herenkamer of anderszins 'pronkboerderij' te wonen. Dit artikel handelt dus over elitecultuur, buitens, hofsteden en dergelijke en vergelijkt de Friese situatie met die in Holland. Hoe 'arcadisch' of eerder agrarisch dit was, wordt u hier uit de doeken gedaan.”
YME KUIPER - 'Daar praalt het Landhuis in zyn' deftige plantagie' Hofsteden en herenkamers in het doopsgezinde buitenleven in Friesland, 1650-1800 - pp. 223 t/m 250

“Met het artikel van Bert Dop keren we terug naar de provincie Groningen, al is het ditmaal de gemeente Veendam-Wildervank, die door hem wordt geschetst in haar financiële en personele perikelen vanaf het midden van de achttiende tot de daarop volgende eeuw. Deze gemeente was decennialang armlastig en werd ondersteund door verschillende rijkere doopsgezinde gemeenten in binnen- en buitenland. Toen een voorganger veel geld verloor aan de Koninklijke Loterij werd het er niet gemakkelijker op, omdat subsidiegevers hierop hun donatie staakten. Verder was er een conflict rond het gebied van de gemeente, want er waren nogal wat armen in een naburige veenkolonie die ten laste kwamen van juist deze gemeente met financiële krapte, terwijl een naburige gemeente veel beter in de slappe was zat. Dop laat zien hoe staatsingrijpen deze knoop doorhakte en hoe men uiteindelijk als een financieel gezonde gemeente wist voort te bestaan.”
BERT DOP - Uiteindelijk de wind mee : Hoe de armlastige gemeente Veendam-Wildervank er bovenop kwam - pp. 197 t/m 215

Mechteld Gravendeel voert ons uit het noorden van het land terug naar het westen, Haarlem ditmaal en zij schetst in een kort artikel het leven van een weeskind aldaar, die vlak na de Napoleontische tijd het leger in ging, vermoedelijk omdat hij zich als geboren vrijbuiter moeilijk kon voegen in het strakke systeem van het weeshuis. Hoe het hem verging, zo in de vroege negentiende eeuw, wordt in dit artikel uit de doeken gedaan.”
MECHTELD GRAVENDEEL - Abraham van der Wateren : Schoffie - soldaat - schoenmaker - pp. 217 t/m 222

“Met Marius Romijn's bijdrage blijven we in ongeveer dezelfde contreien: Zaandam ditmaal - de woonplaats van Piet Visser - die geregeld ook een bijdrage heeft geleverd aan de lokale geschiedschrijving van deze heel bijzondere plek (volgens Jonathan Israel de eerste industriële zone van Europa) met een grote en markante doopsgezinde gemeenschap. Marius Romijn gaat nu eens niet in op de vele succesvolle doperse industriëlen, maar focust op het doperse gemeenteleven, dat zeer levendig en kleurrijk was. Zijn artikel bevat allerlei faits divers over Zaanse dopers en hun voorgangers in Oost en West Zaandam.”
MARIUS ROMIJN - Zaandam-Oost als doopsgezinde visvijver - pp. 251 t/m 270

Pieter Post gaat in het volgende artikel na hoe een bekend lied, namelijk 'ik voel de winden Gods', tot stand kwam en door verschillende landen reizend, steeds een andere functie kreeg om ten slotte uit te groeien tot het meest bekende doopsgezinde lied, ook wel doopsgezind volkslied genoemd. We hebben hier te maken met een proces van transformatie, culturele overdacht en zelfs gedaanteverwisseling; metamorfose zou je haast zeggen. Dat dit nog steeds geliefde lied ooit in een opera was opgenomen, later als studentenlied populair was, dat het werd ingezet in nationale strijd - dit alles komt in Pieter Posts verhaal uitvoerig naar voren.”
PIETER POST - Theatraal, rebels, omstreden en geliefd : 'De winden Gods' van Noors drinklied  tot internationaal kerkgezang - pp. 271 t/m 302

Alle Hoekema heeft samen met Piet Visser een dagboek uitgegeven van een doopsgezinde diensweigeraar, en geeft in zijn artikel een overzicht van de belangrijkste vooroorlogse doopsgezinde dienstweigeraars. Het blijkt een kleine, maar soms alles behalve overzichtelijke groep geweest te zijn, vergelijkbaar bijna met de chaotische veelvoud aan doperse groepen aan het begin van de zeventiende eeuw. Sommige antimilitaristen waren principieel tegen het gebruik van geweld, anderen gingen voor hun overtuiging zelfs het gevang in. Alle Hoekema geeft een duidelijk overzicht van al deze (in de woorden van Piet) 'dwarse dopers', waarbij hij de bekendste dienstweigeraars de revue laat passeren en in hun context plaatst. “
ALLE G. HOEKEMA - Doopsgezinden en dienstweigeren in Nederland circa 1900 tot 1940 - pp. 303 t/m 334

“Ferdinand Van Melle gaat in zijn bijdrage in op de speurtocht van de biograaf, in dit geval hijzelf, en hij vertelt ons hoe een dergelijke speurtocht voert tot allerlei inzichten, zijpaden, nieuwe contacten en plotselinge wendingen. De persoon in kwestie, die onderwerp is van zijn onderzoek - Johanna Kuiper - leidde een alles behalve rustig en zeer kleurrijk leven en woonde onder andere in Duitsland, Nederland en Indonesië. Ze past uitstekend in de al eerder genoemde categorie 'dwarse dopers' en heeft iets ongrijpbaars, bijna enigmatisch zo blijkt, wat zorgt voor bijna een haat-liefde-verhouding tussen haar en de biograaf.”
FERDINAND VAN MELLE - Portret van een portret - pp. 335 t/m 350

Gerke van Hiele eindigt de reeks artikelen met een zeer eigentijds onderwerp: de cursus doperse theologie. Hij laat zien hoe in de naoorlogse jaren steeds meer behoefte ontstond onder gemeenteleden naar studie en diepgang. Dit leidde tot de aanvankelijk nog heel voorzichtige start van een eigen doperse cursus, waartoe je alleen na screening of via ballotage werd toegelaten. Piet heeft jaren als docent hieraan meegedaan, wat in dit artikel wordt gememoreerd, en verder vinden we hier opnieuw een proces van groei en ontwikkeling.? “
GERKE J.J. VAN HIELE - Kleine geschiedenis van de cursus doperse theologie te Elspeet - pp. 351 t/m 364

Lees hier alvast het hele redactioneel waarin, in de inleiding, uitgebreider op de persoon Piet Visser wordt ingegaan:

Traditioneel wordt het nummer afgesloten met het colofon en met de uitgangspunten van de DHK en een lijst met de personalia van alle auteurs - pp. 381 t/m 383