zondag 1 februari 2015 Ter nagedachtenis aan Johan Huizinga (1872-1945): twee passages

Twee passages uit Johan Huizinga's werk over (weder)dopers

Op 1 februari 2015 is het 70 jaar geleden dat Johan Huizinga in 1945 stierf . Hij trad op 18-jarige leeftijd, op 15 maart 1891, toe tot de Doopsgezinde Gemeente Groningen, op een (door hem zelf geschreven) belijdenis, die door zijn grootvader, de doopsgezinde predikant Jacob Huizinga, werd getypeerd als:

"een betrekkelijk mooi opstel wat ik zou kunnen noemen eene proeve van wijsgeerig onderzoek naar het ontstaan van de begrippen Godsdienst en zedelijkheid bij verschillende volken, waarbij de Godsdienst van Jezus en het genootschap der Doopsgezinden met eere werden vermeld, maar eene belijdenis zooals ik van eenen doopsgezinden aankomeling zou wenschen vond ik geheel niet. Eene zielsbehoefte naar een innig gemeenschapsleven met God naar de leer en het voorbeeld van Jezus scheen mij geheel te ontbreken. Ik leide het geheel onvoldaan ter zijde in de hope dat rijper jaren en een diepgevoelig ernstig nadenken hem nog eenmaal tot een innig verbonden zijn aan de gemeente van Christus zullen brengen."

(geciteerd uit het artikel "Eenvoudige deftigheid : Het ideaal en imago van beschaving bij de doopsgezinden in de eerste helft van de negentiende eeuw" en daarin de inleidende paragraaf: "Doopsgezindheid bij drie generaties Huizinga", door Piet Visser, in Doopsgezinde Bijdragen nieuwe reeks nummer 38 (2012). p. 63-64)

[NB: Het DB nr 38 (2012), met daarin het volledige artikel van Piet Visser zal nog tót volgend jaar niet op deze DHK-website te lezen zijn. Tot die tijd is het wel hier te bestellen.]

Na vermeld citaat merkt Piet Visser nog op:

"Johan Huizinga is heel zijn leven lid gebleven van de broederschap; ook later in Leiden. Wie naar evident doperse sporen zoekt in zijn omvangrijke oeuvre, komt echter bedrogen uit."

Maar wel komen er tenminste twee (niet eens zo erg onbekende) passages voor in zijn werk, elk van ongeveer een halve bladzijde, waarin Huizinga zich (1e) uitlaat over Erasmus' visie op de wederdopers en (2e) over de aard der doopsgezinden uit de 17e eeuwse republiek.

In de eerste passage is, via zijn weergave van de visie van de humanist op de vroege anabaptisten, naast (waarschijnlijk gedeelde) afkeer, ook enige achting te lezen voor de wederdopers, al of niet parallel lopend met de veronderstelde geestelijke verwantschap die Huizinga met Erasmus gevoeld zou hebben.
En in de tweede passage is ook enige waardering voor de 17e eeuwse nazaten van de wederdopers te bespeuren. Ook hier lijkt er sprake te zijn (tenminste partieel) van een gevoel van verwantschap.

Ter nagedachtenis aan Johan Huizinga daarom deze passages hieronder in extenso.
Ze komen achtereenvolgens uit:

  • Erasmus(1924)
  • Nederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw, een schets(1941)

de geciteerde tekst hieronder is uit de Verzamelde Werken (Haarlem, 1948-1953), resp. deel 6 (1950)  & deel 2 (1948)

Erasmus (VW dl. 6 pp. 169-170):
Er was een groep onder de hervormden, met welke Erasmus in het diepst van zijn wezen nader verwant was dan met de Lutheranen of Zwinglianen in hun star dogmatisme: de Wederdoopers. Hij verwierp de leer, waaraan zij hun naam ontleenden, en had een afschuw van het anarchische element bij hen. Hij bleef veel te veel de man van het geestelijk decorum, om zich met deze ongeregelden te kunnen vereenzelvigen. Doch hij was niet blind voor den ernst van hun zedelijk streven, en had sympathie voor hun afkeer van geweld en het geduld, waarmee zij hun verdrukking droegen. "Zij worden om de onschuld van hun leven boven alle anderen geprezen," schrijft hij in 1529 . Juist in het laatst van zijn leven valt de episode van het gewelddadig revolutionnair optreden der fanatieke Wederdoopers; het spreekt vanzelf, dat Erasmus daarover niet dan met afschrik spreekt.
Een van de beste hedendaagsche historici der Reformatie, Walter Köhler, noemt Erasmus een der geestelijke vaders van het anabaptisme. En zeker is het, dat dit in zijn latere, vreedzame ontplooiing belangrijke trekken met Erasmus gemeen heeft: de neiging tot erkenning van den vrijen wil, zekere rationalistische strekkingen, den tegenzin tegen een exclusief kerkbegrip. Van Erasmus op den Zuid-Duitschen dooper Hans Denk [sic!] schijnt directe ontleening van denkbeelden bewijsbaar. Voor een belangrijk deel echter zal deze gemeenschap van ideeën berusten op eigenaardigheden van het godsdienstig bewustzijn in de Nederlanden, waaruit Erasmus voortsproot, en waarin de doopersche geest zulk een belangrijken voedingsbodem vond. Erasmus zelf is zich van deze samenhangen stellig niet bewust geweest.

Nederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw (VW dl. 2, pp. 453-454):
Overal voor het grijpen en toch moeilijk te benaderen is de doopsgezinde factor in de Nederlandsche beschaving. Menno's volk was de oudste hervormde groep, die als een duidelijk herkenbaar volksdeel in het licht trad, ook al hadden zij noch belijdenis noch scherp omlijnde organisatie. Reeds in den tijd der vervolging herkende de overheid hen maar al te goed; de geheele zestiende eeuw rook overal terstond elk spoor van het gevreesde en verfoeide anabaptisme. Zij hadden de stof voor de brandstapels opgeleverd, simpele kleine burgers of boeren als Dirk Willemsz. van Asperen, die echte geloofsgetuige, die zijn vervolger uit het ijs redde, en daarop toch door den man gearresteerd werd, omdat de schout aan den kant stond te dreigen, zoodat men spoedig Dirk Willemsz. in het vuur dat door den wind niet recht vatten wou, kon "hooren schreeuwen als een varken". - Hoe is die gloed van geloofsijver, die eerst in excessen gevlamd had in Amsterdam en Munster, hier zoo spoedig verzacht tot die breede, stille vroomheid, eer nuchter dan geestdrijvend, die van het talrijke Mennistendom, in de Noordelijke provinciën, in Haarlem en Amsterdam, de rustigste burgers van allen maakte? Men liet hun de vrijheid van hun zielsbezwaar tegen eed, ambt en wapenen, men zag hen uit de groote Kerk een weinig met den nek aan, men spotte wat over hun ultra-puriteinsche dracht en zeden, zooals in de klucht van Jan Klaesz., en gunde hun de vruchten van hun vlijt in hun "menniste-huizen",  van voren smal, met mooie tuinen. Zij waren voor den Staat voortaan als een gelukkig volk zonder geschiedenis, al kibbelden zij onder elkaar even hard als alle anderen.