Anna Voolstra

Voor wie het verleden niet kent,
is het heden een raadsel
40 jaar Doopsgezinde Historische Kring *

uit: Doopsgezinde Bijdragen nieuwe reeks nummer 39 (2013), pp. 13-26

Voolstra_Anna_cu_THUMB                  39_2013

Het begon als een klaroenstoot, een cri de coeur, een appèl aan de weerloze christenen die in Nederland doopsgezinden genoemd worden, om zich opnieuw te bezinnen op de inhoud van het doopsgezinde gemeenteleven.(1) De Doopsgezinde Historische Kring ging in 1974 met duidelijke idealen van start: zij moest een luis in de pels zijn van doopsgezinde zelfgenoegzaamheid door een kritische herinterpretatie van de doperse traditie aan te reiken aan de doopsgezinde gemeenten, hun leden en hun voorgangers.(2) De initiatiefnemers waren hierbij ten volle overtuigd van het belang van een doperse leer voor het leven van de doopsgezinde gemeenten. (3)  De doelstelling van de Kring was dan ook ‘de bestudering van het Doperdom en aanverwante stromingen, alsmede bezinning op de doperse traditie, zulks ten dienst van gemeente en broederschap’.

Aanmeldingsbrieven Historiegroep

Presentielijst Historiegroep

Aanmeldingen voor de
Doopsgezinde Historie groep 1948 (Stadsarchief  Amsterdam)
Presentielijst van de eerste bijeenkomst van de Doopsgezinde Historiegroep op 18 december 1948 te Den Haag (Stadsarchief Amsterdam).

Ten tijde van de oprichting werd het minimumaantal leden dat benodigd was om door te gaan met dit initiatief, gesteld op 35. Deze voorzichtigheid was mede ingegeven door de waarschuwingen van H.W. Meihuizen, die nog helder voor ogen had hoe de Doopsgezinde Historiegroep, door N. van der Zijpp en hemzelf opgericht in 1948, binnen enkele jaren ter ziele gegaan was.
41 belangstellenden betuigden toen hun instemming aan Van der Zijpps oproep om het gebrek aan historisch besef aan te pakken. ‘Geachte dominee van de Zijpp (ik schrijf liever niet weleerwaarde Heer – dat schept zo’n afstand en ik vind ‘t niet doopsgezind ook)’, schreef een geïnteresseerde: ‘we moeten weten hoe we zijn geworden wat we nu zijn, maar ook moeten we ’t verleden kennen, om dat wat goed was onder ons te behouden. (4)

Toch verscheen van de 41 aanmeldingen nog niet de helft op de eerste bijeenkomst in december 1948 te Den Haag. Een van de belangstellenden die zich tot zijn spijt moest afmelden voor de eerste samenkomst, schreef hierover het volgende:

"overigens is het verlies misschien niet zo groot, ik schreef u destijds spontaan onder de indruk van de nood, die ik zo dikwijls om mij heen zie door het ontbreken van nagenoeg alle Doopsgezind historisch besef, doch in het gezelschap van zovele ‘schriftgeleerden’ zou de ‘gewone man’ er toch waarschijnlijk maar beter niet het zijne van kunnen zeggen." (5)

Soortgelijke geluiden zijn ook terug te vinden in de aanmeldingsbrieven aan  Van der Zijpp, zoals de volgende:

"Mijn beroep is kantoorbediende, zoodat U begrijpt, dat ik, wat betreft godsdienstige studie, niet onderlegd ben. Als mijn suggestie van de wijze waarop het beoogde doel gediend kan worden, zou ik U echter toch het volgende willen zeggen:
Zou het niet mogelijk zijn in het D.G. Weekblad een serie gemakkelijk voor minder ontwikkelden te begrijpen, dus met een slecht woord te noemen: ‘populaire’ artikelen te doen verschijnen omtrent dit onderwerp? Ik geloof dat over het algemeen bij Doopsgezinden nog zoo weinig weten van onze eigen geschiedenis." (6)

Aantallen _leden _DHK_vanaf _1974_2013

Ledenaantallen van de Doopsgezinde Historische Kring 1974-2012 (Joop Lavooij)

Een minimum van 35 leden was derhalve het bescheiden streven van de kersverse DHK. Binnen anderhalf jaar waren er echter reeds 350 leden. Vanwaar dit ongekende succes? Was de gewone man in de jaren zeventig mondiger geworden en minder snel benauwd voor schriftgeleerden? Of hadden de oprichters de juiste snaar weten te raken toen zij de geschiedenis expliciet in dienst stelden van gemeenteopbouw? Hoe het ook zij, de hartekreet was in vruchtbare aarde gevallen, had zich uitgezaaid en was tot bloei gekomen in de uitgave die als het visitekaartje van de broederschap bestempeld zou worden - de Doopsgezinde Bijdragen - en aanverwante publicaties.

De groei zette door, ondanks financiële zorgen. Hoopvol notuleerde de werkgroep van de DHK in september 1980 haar streven om het ledenbestand
van 600 te tillen naar 900, 'er is nog stijging, maar al afvlakkend'. (7) In 1981
- zeven jaar na de oprichting - bleek het ledenaantal tot boven de 700 gestegen; een, naar inmiddels blijkt, historisch hoogtepunt. Daarop volgde echter een periode van afgaand tij. In de jaren 1981 tot 1983 verloor de DHK meest gemeenteleden; later in de jaren tachtig bleken het de abonnees, voornamelijk wetenschappelijk instellingen, waaronder een ledenverlies te bespeuren viel.(8) Een kwart van de doopsgezinde gemeenten was lid van de DHK. Van beide poten der DHK was een stukje afgezaagd, genoeg om te zakken tot onder de 600 leden. In datzelfde jaar wordt de dienstbaarheid van de DHK blijkens de flaptekst vergroot naar de kerkhistorie in het algemeen en de Doopsgezinde Broederschap in het bijzonder. Ook traden in de jaren tachtig de eerste niet-doopsgezinde redactieleden aan - Wiebe Bergsma in 1984 en Piet Visser in 1985.

Spreiding _leden _DHK

Aantal abonnees van de Doopsgezinde Bijdragen per 30 september 2013  (Joop Lavooij)

Het ledental trok weer iets aan en schommelt de laatste jaren om en nabij die magische grens van 600 leden, waarbij de activiteiten van de DHK tijdens het jubeljaar 2011 een broodnodige nieuwe portie leden opleverde. In 2013 blijkt inmiddels een derde van de doopsgezinde gemeenten lid te zijn van de DHK - of dit als winst voor de DHK of als verlies van het totale aantal gemeenten dat de broederschap rijk is uitgelegd moet worden, vermelden deze percentages evenwel niet...

Mijn voorganger Bonny Rademaker-Helfferich, betreurde bij haar afscheid dat de wisselwerking tussen gemeenten en DHK niet echt op gang is gekomen en dat niet iedere gemeente en predikant lid is van de DHK. (9) Een en ander is wellicht het gevolg van de spagaat waar de DHK evenals de snel gestorven Doopsgezinde Historiegroep toch onherroepelijk in verkeert: enerzijds wil zij de doopsgezinde geschiedenis onderzoeken en toegankelijk maken voor doopsgezinde gemeenteleden, anderzijds wil zij een zekere kwalitatieve standaard hooghouden die veel van de redactie- en werkgroepleden vanuit hun opleiding en werkzaamheden gewend zijn en die nodig is om aansluiting te houden met wetenschappelijke instellingen.

In mei 1997 schreef voorzitter Piet Tillema aan secretaris Nel van Schieveen:

"Ik hoor steeds vaker dat er naast de DB behoefte is aan niet zo wetenschappelijk verantwoorde, historische leesstof. Zo zouden de verhalen van Piet Visser, waarvan er deze week een in de ADW stond over de vurige Jacob Aertsz Colom, gebundeld kunnen worden."(10)

Hoewel de DHK uitdrukkelijk niet in een ivoren toren wil zitten en academische dikdoenerij probeert te vermijden, blijft een feit dat niet alle artikelen even gemakkelijk te lezen zijn. Sprekend voorbeeld hiervan is mijn eerste artikel in de Doopsgezinde Bijdragen, dat ik bij nalezing zelf nauwelijks meer begrijp. (11) Beterschap heb ik hopelijk betoond in latere bijdragen.

Naast de spanning tussen wetenschappelijkheid en popularisering, is ook de vraag naar de relevantie van de doopsgezinde geschiedenis voor het doopsgezind gemeenteleven een terugkerend heikel punt. Betrokkenheid van de leden bij de bezinning op de doperse traditie werd wellicht het duidelijkst zichtbaar in de studiebijeenkomsten in de beginjaren. Daar werden bijvoorbeeld de Doperse stemmen aan de hand van stellingen in kringgesprekken be­sproken, en was de benodigde literatuur vooraf bij de werkgroep te bestellen. Vanwege de grote werklast die de voorbereiding hiervan met zich meebracht voor redactie en werkgroep, notuleerde de secretaris van de DHK in 1980 evenwel:

"de organisatie van jaarlijkse studiedagen in de toekomst zal mogelijk een te zware opgave blijken voor de DHK. Ook de financiering is moeilijk." (12)

Bovendien was de vraag in hoeverre deze studiedagen aansloegen. Tijdens de voorbereiding van de studiebijeenkomst in april 1977 over de nieuwe mens, die aan de hand van Menno Simons' meditatie op psalm 25 besproken zou worden, schreef Irvin Horst:

"dat het een goed en belangrijk onderwerp is ben ik zeker van, maar hoe je de mensen kunt inspireren of belangstelling voor op te brengen is moeilijk te antwoorden. Je kan het alleen aan de Geest overlaten." (13)

Om niet teveel van de Geest te vragen, noch van de DHK'ers, werden deze studiebijeenkomsten al vanaf het begin afgewisseld met de excursie-achtige bijeenkomsten zoals we die inmiddels gewend zijn. De eerste bustocht was reeds in 1976 een feit, en wel in de Zaanstreek. Met uitzondering van de af-

Knipsels _Trouw _450_jaar

DHK Najaarsbijeenkomst op 8 november 1975:Voortrekkers en Stilstaanders naar de doops-gezinde kerk en het Rijksarchief te Middelburg (Stadsarchief Amsterdam).

gelaste voorjaarsbijeenkomst in 1989 is het tot nu toe altijd gelukt om jaarlijks minimaal twee bijeenkomsten te organiseren. (14)

Terug naar de dienstbaarheid van de Doopsgezinde Historische Kring. Tijdens de viering van het 25-jarig bestaan van de DHK, riep mijn vader, Sjouke Voolstra, de Kring op zich te beraden over de wijze waarop zij dienstbaar wilde blijven en aan wie: broederschap, kerkgeschiedenis en oecumene.

De ontstaansgeschiedenis indachtig moeten we ook kritisch blijven ten aanzien van ons zelf. In activiteiten en publicaties moeten we een nieuw evenwicht nastreven in de verhouding tussen inhoudelijke samenspraak en nostalgisch toerisme, wetenschappelijkheid en popularisering, beoefening van de kerkgeschiedenis en bijbels geïnspireerde gemeenteopbouw. (15)

Hij herinnerde de verzamelde leden eraan dat volgens de statuten de DHK was opgericht voor een duur van 29 jaar en 11 maanden. In februari 2004 zou daarom een ledenvergadering moeten besluiten over het voortbestaan of afschaffen van de DHIC, hetgeen hij overigens onder het motto 'eschatologie als levensnoodzaak' ook voor de broederschap in z'n geheel aanbeval.

Blijkbaar hadden de toehoorders dit goed in hun oren geknoopt. Al in 2002 werd op een algemene ledenvergadering een herziene versie van de statuten goedgekeurd. Het eschaton dat voor de DHK dreigde in 2004 was voortvarend en voortijdig afgewend; haar voortbestaan gewaarborgd. Zo niet dat van mijn vader, die in 2004 aan zijn einde kwam in het koude water van de Enkhuizer haven. De afsluiting van zijn toespraak ter ere van het 25 jarig bestaan van de DHK krijgt hierdoor post mortem een andere lading:

"25 jaar Doopsgezinde Historische Kring. Het is mooi geweest, ja drommels mooi. Ik eindig met een parafrase op het 'doopsgezind volkslied', 'de winden Gods'. Het is afgaand tij. Maar de winden waaien nog. Hijs de zeilen. De haven uit. Naar diepere wateren. Naar wijdere horizonten. En met hoop op heil!" (16)

Met het overlijden van Sjouke, verstomde ook de laatste stem die de idealen van tijdens de oprichting nog verkondigde in werkgroep en redactie, de laatste die kerkgeschiedenis bedreef met als norm een aan de bijbel gebonden geloofsvisie. Desalniettemin staat ook in de nieuwe versie van de statuten uit 2002, dat bezinning op de doperse traditie tot de doelstellingen van de DHK behoort. En ik denk dat wij ons daar ook nog altijd aan houden. Neem bijvoorbeeld de druk bezochte studiedag in Groningen met als thema doopsgezinde identiteit, die mede als reactie op de in het jubileumjaar 2011 veelvuldig geuite holle frasen over doopsgezindheid georganiseerd werd. Een luis in de pels zijn is immers inherent aan kritische geschiedschrijving. De opkomst op de studiedag over identiteit getuigt van de relevantie die een dergelijke bezinning nog altijd heeft, zij het wellicht in een andere vorm dan aanvankelijk door de oprichters beoogd werd.

En over vorm gesproken: onze website is al enige jaren niet meer zo in vorm. En dat terwijl de website juist een prachtig medium kan zijn om iets van de bestaande spanning tussen wetenschappelijkheid en toegankelijkheid weg te nemen. Het doet me dan ook deugd te kunnen mededelen dat er op dit moment, bij wijze van jubileumcadeau, gewerkt wordt aan de bouw en het ontwerp van een geheel nieuwe site, die bovendien op professionele wijze beheerd zal gaan worden door een webredacteur. (17) Het is de bedoeling dat de nieuwe site zal functioneren als inspiratiebron voor een ieder die geïnteresseerd is in doopsgezinde geschiedenis, en tevens als een vindplaats van relevante bronnen, waaronder de gedigitaliseerde Doopsgezinde Bijdragen, oude en nieuwe reeks. Hopelijk zal de website bovendien als brug kunnen fungeren tussen de artikelen in de DB en de lezers, door bijvoorbeeld interviews met de auteurs, korte samenvattingen van artikelen of hoogtepunten van historisch nieuws te plaatsen. Dat dit extra werk met zich meebrengt, is evident. Gelukkig is de werkgroep onlangs dan ook uitgebreid. (18)

Dat er al veertig jaar lang enthousiaste mensen bereid zijn gevonden om fors te investeren in de redactie en het bestuur van de DHK, geeft goede hoop voor de toekomst. In 1981 schreef Anneke Welcker, toenmalig secretaris, al in een P.S. onder haar brief naar penningmeester Piet Bart: 'Ik werk me rot voor de DHK!!' Dat haar investering in de DHK nog verder zou reiken dan arbeid en tijd, bleek na haar overlijden. Uit haar nalatenschap ontving de Doopsgezinde Historische Kring vorig jaar ruim 193.000 euro. Wij zijn hier zeer, zeer dankbaar voor. Waar in de eerste periode van haar bestaan de DHK meerdere malen de eigen publicatiekosten niet kon opbrengen, verkeren wij nu in de gelukkige positie dat wij anderen kunnen helpen bij het ophoesten van de dikwijls hoge publicatiekosten van boeken betreffende doopsgezind historisch onderzoek. Hier hebben we de Welcker-gelden voor gereserveerd.

En nu we het toch over personen en verdiensten hebben, wordt het de hoogste tijd eens stil te staan bij de man die bijkans de verpersoonlijking van de Doopsgezinde Bijdragen is, onze hoofdredacteur sinds jaar en dag: Piet Visser. En sinds wanneer dan precies? Tot voor kort verkeerde ik in de veronderstelling dat Piet sinds 1989 voorzitter van de redactie is en dat we volgend jaar een zilveren jubileum te vieren hebben. Sinds dat jaar wordt hij namelijk expliciet als voorzitter genoemd in de Bijdragen, terwijl hij in het dubbelnummer 1986/87 voor het eerst als redactielid geïntroduceerd wordt, als opvolger van Irvin Horst. Van Piet zelf hoorde ik echter onlangs dat hij sinds september 1985 in de redactie zit en in 1987 van mijn vader het hoofredacteurschap in zijn schoenen geschoven kreeg, als geschenk dat niet geweigerd mocht worden.

Langst zittende hoofdredacteuren van de Doopsgezinde Bijdragen

1 Piet Visser (1987-2013) 26 jaar
2 Jakob Gijsbert de Hoop Scheffer (1870-1893) 23 jaar
3 Samuel Cramer (1894-1912) 18 jaar

Dit betekent iets verschrikkelijks. Wij hebben zijn 25-jarig jubileum gemist. De langst zittende hoofdredacteur in de geschiedenis van de Doopsgezinde Bijdragen oude en nieuwe reeks, heeft vorig jaar helemaal niets van ons gekregen. Geen speciaal dankwoord in de Bijdragen, geen interview met de feestvierende jubilaris, geen bosje bloemen, geen oranjekoek, nog geen extra koekje bij de thee. Niets. Zelfs geen certificaat van trouw kon er af. (19)

Certificaat _van _trouw

Certificaat van trouw, zoals uitgedeeld tijdens het vierde lustrum van de DHK (Stadsarchief Amsterdam).

En dat terwijl wij van hem hebben gekregen in de afgelopen jaren: pak 'm beet 25 artikelen, 4 tekstedities, een bibliografie, talloze recensies, signalementen en
in memoriams, en zo'n 6.000 pagina's geredigeerde tekst.

Piet trok uiteraard niet aan de bel. Wars van eerbetoon, huldeblijken en lintjes, heeft hij deze mijlpaal stilletjes voorbij laten gaan. Zijn verontwaardiging was in 2012 niet tot ons gericht, maar tot de uitgever, die door de Bijdragen met een matte kaft te laten verschijnen, aan zijn boek de glans had ontnomen. Ook een van de jubileumuitgaven, Kracht van een minderheid, wekte zijn wrevel op. (20) De daarin gepubliceerde uitkomst van een enquête onder doopsgezinden leverde immers niets op dan beperkte, oppervlakkige en nietszeggende antwoorden. Ik citeer hier de eerste niet-doopsgezinde hoofdredacteur van de Bijdragen, zichzelf ook dikwijls als zodanig kwalificerend, in zijn redactioneel van 2012:

"Hoezo is 'vrijheid' kennelijk het 'belangrijkste punt van de doopsgezinde identiteit.' Is dat laatste niet juist een grote misvatting, omdat, zeker in de ogen van beide eerder genoemde doopsgezind-gezinden [voor het gemak betrok Piet mij er ook bij, de eerste niet-doopsgezinde voorzitter van de DHK], lidmaatschap van een doopsgezinde gemeente juist geen vrijheid-blijheid zou moeten impliceren van een ongehinderd belijden van doe-het-zelf-religiositeit, maar juist een in vrijheid verkozen commitment met God, een vrijwillig verplichtende relatie met Jezus, zijn tot voorbeeld strekkende handelen en verantwoording afleggen, zoalsvervat in het evangelie, wat tevens een zeer bewust commitment behelst met alle in principe goed geschapen mensen in deze wereld, vooral met de onderdrukten en vernederden, de hongerigen en zieken, de onmondigen en zwakken."

Een plonsje water erover en klaar ben je, dunkt me. Het tekent Piet, deze belijdenis van een doopsgezind-gezinde. Hij heeft een in vrijheid verkozen commitment met de doopsgezinde geschiedenis in de ruimste zin van het woord. Een betrokkenheid die resulteert in een niet aflatende stroom publicaties en daarnaast in talloze lezingen en toespraken in binnen- en buitenland. Waar hij de ene dag op een internationaal gerenommeerd congres zijn academische collega's trakteert op een scherpzinnige tekstanalyse van een niet eerder ontdekte, maar door Piet ergens op de kop getikte primaire bron, legt hij de volgende dag aan een groep ingevlogen Old Order Mennonites tijdens een inleiding in de Nederlandse doopsgezinde geschiedenis uit waarom je in Nederland voor een kopje koffie niet naar een coffeeshop moet gaan, en is hij de dag daarna te vinden in Lutjebroek, alwaar men zo graag eens iets over de eigen geschiedenis zou willen horen. Lang niet alle verzoekers beseffen hoeveel tijdsinvestering de uitvoering van een dergelijk verzoek kost – desalniettemin  zegt Piet nooit nee. Het is een blijk van groots commitment om 25, o nee, 26 jaar lang naast een druk bezette baan verzwaard met veelvuldige verzoeken vanuit de broederschap, op geheel vrijwillige basis de hoofdredactie van de DB te verzorgen - liefdewerk oud papier in optima forma.

Ook spreekt uit deze belijdenis Piets liefde voor de inhoud en zijn afkeer voor oppervlakkige, niet onderbouwde aannames, die zijn doorgaans prozaische pen van een gevaarlijk scherpe bite kunnen voorzien. Haarfijn en meedogenloos kan hij een ondeugdelijke tekst fileren, zonder zich overigens daarnaast de moeite te besparen om uit de doeken te doen hoe het dan wel moet. Eens een schoolmeester, altijd een schoolmeester. Geen academicus die als een leeuwin over haar bronnen waakt en alle vergaarde kennis als exclusief eigendom wil claimen, maar een royaal schoolmeester die kennis wil overbrengen en delen en die enthousiasme voor de stof opwekt en overbrengt op alle in principe goed geschapen mensen in deze wereld, ongeacht hun status, vooropleiding of godsdienstige oriëntatie. Ik zal Piet nu uit zijn lijden verlossen, al zal het laatste woord over dit gemiste jubileum nog niet gezegd zijn!
Het laatste woord van vandaag evenwel, kan niet anders dan voor u zijn. Het jubileum dat we hier samen vieren, is uitsluitend mogelijk door u, onze trouwe achterban waar menig ander kerkgenootschap stinkend jaloers op is.
In weerwil van het huidige klimaat waarin geesteswetenschappen, kunst en cultuur steeds minder relevant geacht worden en naar de marge gedrukt worden door holle termen als 'valorisatie', 'financieel rendement' en 'inverdienen', laat u zich niet leiden door de wereld, maar vaart uw eigen koers. Ook binnen de doopsgezinde broederschap klinken regelmatig geluiden dat het verleden inmiddels wel voldoende aandacht gekregen heeft: richt u liever op de toekomst! Zo gaat het gerucht dat de leerstoel Geschiedenis van het Doperdom na het emeritaat van Piet Visser opgeheven dreigt te worden. Uw lidmaatschap vormt echter het bewijs van een nog immer bestaand breed draagvlak voor doopsgezinde geschiedbeoefening. Het vervult ons dan ook met dankbaarheid en gepaste trots dat hoewel in de afgelopen veertig jaar het totale aantal doopsgezinden in Nederland met ongeveer 80% is afgenomen (bij de volkstelling van 1971 werden er nog 43.345 doopsgezinden geteld (21) onze achterban vrijwel constant blijft.

Of we u nu huiswerk lieten maken of stadswandelingen op regenachtige herfstdagen: u was erbij. Of we u nu een, twee of drie dagen in de bus zetten,  of op een boot of u aan de willekeur van het openbaar vervoer overlieten: u kwam opdagen. Het inmiddels haast traditiegetrouw te laat verschijnen van de Doopsgezinde Bijdragen, de vanwege de stijgende portokosten onvermijdelijke verhoging van de contributie: het weerhield u er niet van lid te blijven. Bij de uitnodiging van de najaarsbijeenkomst in 1978 trof ik onder de kop
Waar blijven de Bijdragen?' al de volgende mededeling aan:

"Een beginnende redactie maakt fouten, zo ook die van de D. Bijdragen. We hebben al eens een te dik nummer gehad en nu moeten we beschaamd erkennen er niet in geslaagd te zijn het nummer van dit jaar op tijd (voor de zomer) uit te brengen. Wanhoopt niet! De eerste drukproeven zijn binnen; dan duurt het niet lang meer (begin oktober)."

Wij kunnen ons vandaag de dag met goed fatsoen geen beginnende redactie meer noemen, maar als wij in oktober de Doopsgezinde Bijdragen kunnen presenteren, hangen we de vlag uit. Ook korzelige reprimandes als de volgende uit 1980 over de boekverkoop van de DHK, heeft u gelassen over u heen laten gaan:

"Wij zijn geen Wehkamp. Onze sortering mag er zijn, onze service schiet nog wel eens tekort. De verklaring is eenvoudig: bijna al het werk van de DHK wordt verricht door vrijwilligers. Daarom doen wij zonder schroom een beroep op u een klein beetje geduld op te brengen wanneer uw bestelling onverhoopt niet ogenblikkelijk wordt uitgevoerd."

Geduld en loyaliteit - twee eigenschappen waar een DHK-lid in grote mate over beschikt! Wij danken u hiervoor en heffen straks graag het glas met u op het verleden, heden en de toekomst van ons aller Doopsgezinde Historische Kring. Proost

NOTEN



* Bewerking van een voordracht gehouden op 5 oktober 2013 te Amersfoort tijdens de najaarsbijeenkomst van de DHK, die in het teken stond van haar 40-jarig jubileum.
1 Sjouke Voolstra, 'Doopsgezinde Historische Kring, 25 jaar van dienstbaarheid', in: Doopsgezinde Bijdragen (hierna: DB) 26 (2000), 9-20, aldaar 9 en 20.
2 Voolstra, 'Doopsgezinde Historische Kring', 18.
3 Dirk Visser, 'Redaktioneel', in: DB 1 (1975), 7-8, aldaar 7.
4 Schrijven van Jacob Oldekamp uit Rijssen. Stadsarchief Amsterdam (hierna SA): toeg. nr. 1546, mv. nr. 46.
5 Schrijven van W.J.C. Mooij. Ibidem.
6 Schrijven van F.W. Demkowsky uit Amsterdam. Ibidem.
7 SA: toeg. nr. 1546, mv. nr. 2. Notulen van de vergadering van 19-9-1980.
8 Interne notitie; D.B.-D.V.? Aanzetten voor een herijking en bijstelling van het redactionele beleid op basis van een korte evaluatie van veertien jaargangen Doopsgezinde Bijdragen. 1988. SA: toeg. nr. 1546: mv. nr. 22.
9 D. Visser, 'Bonny Rademaker en Anna Voolstra over 35 jaar DHK: "Voor wie het verleden niet kent, is het heden een raadsel", in: Doopsgezind NL 3 (6 februari 2010), 3.
10 SA: toeg. nr. 1546, mv. nr. 7.
11 Anna Voolstra, 'Van Groninger Oude Vlaming tot Amsterdamse lammist: de doopsgezinde predikant Allard Hulshoff (1734-1795) tussen rechtzinnigheid en rede', in: DB 33 (2007), 159-180.
12 SA: toeg. nr. 1546, mv. nr. 2.
13 SA: toeg. nr. 1546, mv. nr. 19.
14 SA: toeg. nr. 1546, mv. nr. 44.
15 Voolstra, 'Doopsgezinde Historische Kring', 19.
16 Voolstra, 'Doopsgezinde Historische Kring', 20.
17 Er is reeds een webredacteur aangesteld, namelijk Diederik Krijtenburg.
18 Sinds januari 2013 heeft Yvonne Melis het secretarisschap overgenomen van Elma Schlecht. In de loop van het jaar kwam ook Nelleke Kan-van Dishoeck ons versterken.
19 In 1994 werden ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van de DHK 153 ‘certificaten van trouw' uitgereikt aan leden van de DHK die reeds sinds de oprichting lid waren van de Kring. (SA: toeg. nr. 1546, mv. nr. 16).
20 Ciska Stark & Erik Jan Tillema, Kracht van een minderheid; doopsgezinden in Nederland (2011).
21 H. Knippenberg, De religieuze kaart van Nederland: omvang en geografische spreiding van de godsdienstige gezindten vanaf de Reformatie tot heden (Gorcum, 1992), 134 e.v.