Doopsgezinde Bijdragen [oude reeks]

In 1861 verscheen het eerste nummer van de Doopsgezinde Bijdragen (zie de nu voor het eerst digitaal doorzoekbare online versie van de allereerste drie nummers, uit 1861, 1862 en 1863). 

De reeks liep van 1861 tot 1919. In 1866 ontbrak het tijdchrift een jaar, om vanaf 1867 toch weer te verschijnen, nu met als subtitel 'nieuwe serie'. Ook in 1871 viel de publicatie een jaar stil. En in de oorlogsjaren verscheen de 'Bijdragen' drie jaar achter elkaar: in 1913, 1914 en 1915 niet.

Dirk Harting (1817-1892) en Pieter Cool (1817-1891) traden als eerste redacteuren op. Zij werden in 1870 opgevolgd door Jacob Gijsbert de Hoop Scheffer. 1884 Na diens overlijden in 1893 nam Samuel Cramer (1842-1913) de redactie op zich. Tussen 1913 en 1915 stokte de uitgave. W.J. Kühler (1874-1946) nam de verantwoordelijk voor de jaargangen 1916 tot en met 1919 op zich.

In 1912 kwam de predikant en historicus Karel Vos (1874-1926) met een register op de eerste vijftig jaargangen (1861-1910).
Bovendien nam hij in zijn register gegevens op uit een tweetal oudere periodieken: het Jaarboekje voor de Doopsgezinde gemeenten (verschenen tussen 1837-1850) en Godsdienstige Lectuur (1854-1858). Beide tijdschriften worden als voorlopers van de Doopsgezinde Bijdragen beschouwd. (Bedoeld register is als facsimile opgenomen in de de registerband op de eerste 25 delen van de de nieuwe reeks, die in 2002 uitkwam.)
Na 1919 werd de uitgave van de Doopsgezinde Bijdragen gestaakt. Tot de reeksnaam in 1975 weer werd opgenomen.

Een groot aantal medewerkers aan de oude reeks was theoloog. Hun kerkhistorische bijdragen waren vaak ontleend aan bronnen uit de gemeente waar ze als doopsgezind predikant actief waren. Een flink deel van de bijdragen was dan ook kerkhistorisch. Daarnaast werden actuele theologische ontwikkelingen besproken.
In de nieuwe reeks Doopsgezinde Bijdragen werd de kerkhistorische invalshoek aangevuld en verrijkt met een meer cultuurhistorische en sociaal-historische aanpak.